. De flora van Nederland. Plants. Carex ericetorum Fig. 315. aangeloopen en de bladschijf is vrij smal, circa 3 niM breed, bijna van den voet af gelei- delijk in een fijne, vrij ruwe punt versmald, vrij stijf, vaak teruggekromd. De bloeiwijze bestaat uit een mannelijk aartje aan den stengeltop en 1 of 2 dicl)t bijeen- staande vrouwelijke. Het onderste schutblad is meest kort scheedeachtig, met of zonder bladtop. Het vrouwelijke aartje is rechtopstaand, zittend, meest ovaal tot omgekeerd-eirond, 7 mM tot 1 cM lang. Zijne kafjes (fig. 315) zijn donkerbruin met breeden, vooral van voren donkerbru


. De flora van Nederland. Plants. Carex ericetorum Fig. 315. aangeloopen en de bladschijf is vrij smal, circa 3 niM breed, bijna van den voet af gelei- delijk in een fijne, vrij ruwe punt versmald, vrij stijf, vaak teruggekromd. De bloeiwijze bestaat uit een mannelijk aartje aan den stengeltop en 1 of 2 dicl)t bijeen- staande vrouwelijke. Het onderste schutblad is meest kort scheedeachtig, met of zonder bladtop. Het vrouwelijke aartje is rechtopstaand, zittend, meest ovaal tot omgekeerd-eirond, 7 mM tot 1 cM lang. Zijne kafjes (fig. 315) zijn donkerbruin met breeden, vooral van voren donkerbruinen, in franje overgaanden, vliezigen rand, zij zijn ongeveer even lang als de urntjes. Er zijn 3 stempels. De urntjes (fig. 315) zijn kort behaard, drie- kantig, circa 2 m/Vl lang, omgekeerd eirond met afgesne- den snaveltje, olijfgroen. Het mannelijke aartje is zwak knotsvormig, zijne kafjes zijn als die der vrouwelijke aartjes, eirond, naar den top versmald , afgeknot, kastanje- bruin met iets lichtere middenstreep. De vrucht (fig. 315) is zeer klein, circa 1 mAI lang, driekantig, geelbruin. '^. 1-3 dM. Maart, April. Deze soort is van de andere te onderscheiden door den franjerand aan de kafjes en van C. praecox, waarmede zij vaak samen voorkomt, ook door het dunnere, bruine, man- nelijke aartje. Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Midden- en Noord-Europa voor in dennenbosschen , op zandheuvels en in heiden. Bij ons is zij alleen bij Asselt ge- vonden. C. praécox^) Jacq. (C. vérna -) Vill., C. caryophy'Uea •') Latouretti). Voorjaarszegge (fig. 316). Deze soort heeft een meest vrij dunnen, tcorten of vrij lang kruipenden wortelstok, die bezet is met bruine tot donker- grijze, rafelende resten van schubben. De stengel is rechtopstaand, vrij dun, zwak, ruw, is meest korter of niet veel langer dan de bladen, waarvan tijdens den bloeitijd die van het vorige jaar geheel of althans de bovenste deelen afge- storven zijn. De stengel is alleen beneden be- blader


Size: 1408px × 1775px
Photo credit: © Central Historic Books / Alamy / Afripics
License: Licensed
Model Released: No

Keywords: ., bookcentury1900, bookcollectio, bookdecade1900, booksubjectplants